Inhoudsopgave:

  1. Welke voornaamwoorden gebruik je?
  2. Wat zijn betrekkelijke voornaamwoorden voorbeelden?
  3. Welke persoonlijke voornaamwoorden zijn er?
  4. Wat is het mooiste dat er is?
  5. Hoe gebruik je hen hun voornaamwoorden?
  6. Hoe gebruik je voornaamwoorden?
  7. Hoe herken je de betrekkelijke voornaamwoorden?
  8. Hoe vind je de persoonlijke voornaamwoorden?
  9. Hoe vind je een persoonlijke voornaamwoord in een zin?
  10. Hoe gebruik je genderneutrale voornaamwoorden in het Nederlands?
  11. Hoe gebruik je die?
  12. Hoe gebruik je hun en hen?

Welke voornaamwoorden gebruik je?

Wil je het gender in het midden laten, dan kun je een omschrijving gebruiken: 'die persoon' of 'diegene'. Sinds een paar jaar worden ook speciale genderneutrale voornaamwoorden gebruikt. Voor de onderwerpsvorm en de voorwerpsvorm is dat hen of die, terwijl je als bezittelijk voornaamwoord hun of diens kunt gebruiken.

Wat zijn betrekkelijke voornaamwoorden voorbeelden?

Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een woord dat eerder is genoemd, zoals die en dat....Voorbeelden betrekkelijk voornaamwoord
  • De man die daar loopt, is mijn oud-collega.
  • Het horloge dat ik voor mijn verjaardag kreeg, is gestolen.
  • Vertel me alles wat je ziet.
  • Het mooiste wat ik heb, ben jij.

Welke persoonlijke voornaamwoorden zijn er?

Het rijtje ik, jij, hij, zij Dat zijn de persoonlijke voornaamwoorden die het onderwerp van de zin zijn. Daarom worden ze ook wel de onderwerpsvorm genoemd. De bekendste van dit rijtje zijn 'ik', 'jij', 'hij' en 'zij'. Voordat we ze allemaal op een rijtje zetten, geven we je wat voorbeelden.

Wat is het mooiste dat er is?

Zowel het mooiste wat als het mooiste dat is correct als het mooiste niet verwijst naar iets specifieks, maar naar iets in algemene zin. Wat is dan het gebruikelijkst. Dat is het mooiste wat / dat ons kon overkomen. Dat is het mooiste wat / dat ik ooit gezien heb.

Hoe gebruik je hen hun voornaamwoorden?

Sinds 2016 heeft het Nederlands naast 'zij' en 'hij' en 'haar' en 'hem' ook het genderneutrale woord 'hen' als voornaamwoord in de taal opgenomen. Dit kan gebruikt worden voor mensen die zich niet identificeren als man of vrouw. Mensen zoals Thorne, Nanoah en Sky.

Hoe gebruik je voornaamwoorden?

Een voornaamwoord is dus een aanspreekvorm. Die zijn meestal verbonden aan iemands genderidentiteit. Je genderidentiteit is de beleving van jezelf, van hoe je jezelf voelt en hoe je jezelf beschrijft. Het lichaam waar je in zit bepaalt niet je genderidentiteit.

Hoe herken je de betrekkelijke voornaamwoorden?

Een betrekkelijk voornaamwoord verbindt een hoofdzin en een bijzin met elkaar. Het betrekkelijk voornaamwoord verwijst bijna altijd naar het woord dat ervoor staat (of woorden die ervoor staan). BETREKKELIJK VNW = dat, die, wat, wie, welke en hetgeen.

Hoe vind je de persoonlijke voornaamwoorden?

Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar levende wezens of zaken, zonder die verder bij de naam te noemen: ik, jou, zij, hen, hem, etc. De vorm hangt af van: de 'persoon': Als we over onszelf praten, gebruiken we de eerste persoon. Als je mensen aanspreekt, gebruik je de tweede persoon.

Hoe vind je een persoonlijke voornaamwoord in een zin?

Het persoonlijke voornaamwoord kan twee vormen aannemen in een zin. Als onderwerp zoals zij in de zin: Zij loopt door de stad. Maar het kan ook in de vorm van lijdend voorwerp dit noemen we de niet-onderwerpsvorm. Een voorbeeld is haar in de zin: Ik zag haar lopen in de stad.

Hoe gebruik je genderneutrale voornaamwoorden in het Nederlands?

Genderneutrale voornaamwoorden zijn persoonlijk voornaamwoorden in de derde persoon enkelvoud om iemand mee aan te duiden van wie de sekse of het gender niet bekend is bij de spreker of schrijver, of iemand die zich identificeert als non-binair of genderqueer. Het is een genderneutraal alternatief voor 'zij' of 'hij'.

Hoe gebruik je die?

Verwijs je naar een de-woord of een meervoud, dan is deze of die juist. Verwijs je naar een het-woord of naar iets onbepaalds, dan is dit of dat juist.

Hoe gebruik je hun en hen?

Je gebruikt hun als een meewerkend voorwerp, bijvoorbeeld in de zin: Ik geef hun nog een kans. Je gebruikt hen als een lijdend voorwerp, bijvoorbeeld in de zin: Ik geloof hen. Als je twijfelt, kun je in beide gevallen hun en hen vervangen door ze.